Engels is minder vanzelfsprekend dan Nederland denkt

12feb - door redactie - 0 - Over Nieuws

Er is veel ophef over taalkwesties de laatste tijd. Gelukkig maar, want er is veel aan de hand, en taal is een zaak van hoofd en hart.

Moeten we wat doen aan de opmars van het Engels in ons land, of is dat juist een goede ontwikkeling? Hoe zit het met onze twee o zo belangrijke buurtalen, Duits en Frans, en wat zijn de gevolgen van de Brexit voor het taalbeleid in Europa? Hoe blijft de broodnodige communicatie mogelijk met alle expats, immigranten en vluchtelingen over veiligheid en zorg? Hoe zetten we het enorme reservoir van talenkennis in bij de nieuwe Nederlanders? Hoe gaan we om met straattaal, regionale talen, dialecten, vormen van taalgebruik met een heel eigen dynamiek?

Al deze vragen maken het ontbreken van nationaal taalbeleid pijnlijk zichtbaar. In het pas verschenen KNAW-rapport Talen voor Nederland analyseren we welke taalvoorzieningen Nederland nodig heeft, want problemen doen zich in allerlei sectoren voor: de zorg, rechtspraak en veiligheid, kunst en cultuur, economie en internationale betrekkingen.

Basisniveau Nederlands

Het Nederlands heeft uiteraard een sterke positie, maar veel nieuwkomers hebben moeite om te slagen voor de inburgeringstoets. Er zijn ook opmerkelijk veel laaggeletterden. Gebrekkige beheersing van het Nederlands leidt vaak tot een positie onderop of buiten de arbeidsmarkt. Er ontstaat steeds meer variatie binnen de Nederlandse taal via de sociale media en op radio en televisie. En de regionale talen komen nu opvallend vaak voor in sociale media en in de populaire cultuur. De regio telt, en misschien wel meer en meer. We pleiten er in elk geval voor dat beleid en onderwijs zo worden ingericht dat alle inwoners van Nederland op een basisniveau Nederlands kunnen lezen en schrijven, spreken en verstaan. Daarvoor is het nodig om onderwijs in het Nederlands beter toegankelijk te maken, en veel meer naar niveau te differentiëren.

Het Engels wordt steeds meer gebruikt in het hoger onderwijs en in bedrijven. Er is veel (soms tijdelijk) personeel uit het buitenland, en bedrijven hebben ook vestigingen in het buitenland. Expats leven soms in een Engelse bubbel maar klagen tegelijkertijd dat ze weinig kans krijgen om hun Nederlands te oefenen omdat ze telkens in het Engels antwoord krijgen. Met name in de Randstad is een geheel Engelstalige subcultuur ontstaan; ook in het dagelijks leven kan je daar best zonder Nederlands. Engels is in sommige steden een officieuze tweede taal geworden. Hoewel de banden met de twee Engelstalige bastions, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, misschien losser worden, wordt het gemak van een gemeenschappelijke taal internationaal steeds meer gezien.

Toch is het Engels als internationale taal op langere termijn en buiten Noordwest-Europa minder vanzelfsprekend dan in Nederland soms wordt gedacht. Programma’s zoals die van Ruben Terlouw, die reist door China,  laten zien hoe veel meer inzicht je krijgt en hoe je werkelijk kan communiceren als je de taal spreekt. Diplomaten met een brede kennis van talen en culturen zijn goud waard.

Frans en Duits verschrompelt

Terwijl onze aanwezigheid in en samenwerking met de omringende landen alleen maar is toegenomen, is de kennis van Frans en Duits, ooit zo vanzelfsprekend, verschrompeld. Het voortgezet onderwijs weet niet precies wat ze nu met de buurtalen aan moet en op de universiteiten kiezen steeds minder eerstejaars een talenstudie, zeker minder Frans en Duits. Deze talen worden in de buurlanden vaak vanzelfsprekend gekozen als omgangstaal, ook met buitenstaanders, waar Nederlanders Engels zouden gebruiken. Er gaapt duidelijk een kloof tussen noodzakelijke en aanwezige talenkennis, en daar moet nodig wat aan gebeuren.

Wat betreft de overige talen is het beeld complex. De eerdere pogingen om Arabisch en Turks in te voeren als onderwijstaal voor leerlingen met een migratieachtergrond in het basisonderwijs, zijn mislukt. Zelfs al zou men weer willen proberen om de eigen talen van deze groepen een rol te geven, dan kan dat zeker niet op dezelfde manier als toen.

Het gaat nu om veel meer verschillende talen, en dat wisselt ook van plaats tot plaats. Toch blijft gelden dat gebruik van de eigen taal een handige opstap kan zijn bij het verwerven van allerlei andere vaardigheden op school. Daarnaast is een reservoir van geschoolde meertaligen die behoorlijk Turks, Mandarijn, Arabisch, Duits en Spaans kunnen lezen en schrijven waardevol bij allerlei internationale activiteiten.

In de contacten met de overheid verdienen websites en gedrukt materiaal in begrijpelijk Nederlands met veel illustraties de voorkeur boven folders in nog meer talen. Daarnaast blijven tolken en vertalers essentieel in juridische kwesties.

Nederlands, Engels, de buurtalen, de talen van de migranten: samen vormen ze de talen in Nederland, en ook de talen voor Nederland. We hebben geprobeerd een aanzet te geven voor een Nederlands taalbeleid, als basis voor een bredere discussie. In elk geval is het een kwestie van en/en, niet van of/of. Onze toekomst is niet alleen Engels, maar vooral meertalig.

Pieter Muysken (voorzitter), hoogleraar taalwetenschap, Radboud Universiteit
Roberta d’Alessandro, hoogleraar syntax en taalvariatie, Universiteit Leiden
Antoine Buyse, hoogleraar mensenrechten, Universiteit Utrecht
Goffe Jensma, hoogleraar Friese taal- en letterkunde, Rijksuniversiteit Groningen
Joep Leerssen, hoogleraar moderne Europese letterkunde, Universiteit van Amsterdam
Henriëtte Maassen van den Brink, hoogleraar economie en bedrijfskunde, Universiteit van Amsterdam
Henriëtte de Swart, hoogleraar Franse taalkunde, Universiteit Utrecht
Erik‐Jan Zürcher, hoogleraar Turkse talen en culturen, Universiteit Leiden