‘Je kunt in Nederland heel makkelijk beroepsblinde worden’

1dec - door redactie - 0 - Over Nieuws

Jan Bloem reed met zijn brommer op het fietspad in de Noordoostpolder toen hij ineens iemand van achteren aanreed. Hij had de vrouw niet gezien. Onbegrijpelijk, ze fietste gewoon voor hem. Hij was achttien jaar, net twee jaar eerder van Terschelling naar Emmeloord verhuisd om naar de landbouwschool te gaan.

„Welkom bij de club”, kreeg hij niet lang erna in het Radboud ziekenhuis te horen. Retinitis pigmentosa, was de diagnose. Een erfelijke stofwisselingsziekte waardoor Bloem geleidelijk helemaal blind zou worden. Dat hij die fietser niet had gezien, was niet zo vreemd. Hij had al blinde vlekken in zijn gezichtsveld, een voorbode van het steeds smallere tunneltje waardoor hij de wereld zou zien. Hij had het nooit opgemerkt, maar die fiets zat kennelijk precies in zo’n blinde vlek.

Voordat we over dat voorval praten, vertelt Bloem over zijn werk als internationaal verkoopmanager voor een bedrijf dat computeraanpassingen voor blinden en slechtzienden maakt. Intussen zet hij koffie en haalt de appeltaart uit de ijskast. Hij werkt veel thuis, in Den Haag, en reist daarnaast vaak voor zijn werk. Naar Barendrecht, maar ook een paar keer per maand naar het buitenland. Hij ziet nog 0,5 procent. Hij weet precies hoe zijn kinderen eruitzien, omdat hij met alle fragmentjes die hij door dat rietje ziet, het geheel kan construeren. Maar hij kan niet met ze voetballen, of een skelter ophalen die ze op Marktplaats hebben gevonden, of een kinderfeestje in goede banen leiden.

Zijn gesprekspartner is een vlek aan de andere kant van de tafel. Hij kijkt me aan alsof hij me ziet, maar hij ziet alleen donkere en lichte vlekken.

Vonnis

Toen hij na de diagnose van de oogarts met zijn moeder uit Nijmegen met de trein terugreed naar Emmeloord, realiseerde hij zich nog niet wat dit vonnis betekende. De arts had gezegd: geniet van het leven, haal zo snel mogelijk je diploma. Boer worden zat er niet meer in. Zijn rijbewijs heeft hij niet meer gehaald. Hoewel hij nog lang op de tractor reed, met zijn zus ernaast in de cabine als tweede paar ogen. „Ik begon heel gewiekst te worden.”

Hij ging toch naar de hogere landbouwschool. Hij fietste dwars door Leeuwarden, terwijl hij inmiddels al weleens een paaltje miste. Tot 1992 blufte hij zich door het leven. Hij verzon manieren om zijn slechtziendheid te verhullen of te omzeilen en om te blijven doen wat hij altijd had gedaan, hoewel het hem steeds meer moeite kostte. Totdat hij, hij werkte inmiddels als systeemanalist, niet meer zag wat er op zijn scherm stond, de post niet meer kon lezen, en zijn chef zei: „Jan, het gaat niet meer. Je moet aan jezelf werken.”

Het viel niet langer te ontkennen. Hij meldde zich bij Het Loo Erf in Apeldoorn waar blinden en slechtzienden van maandagochtend tot vrijdagmiddag leren hoe ze zo zelfstandig mogelijk kunnen leven. Hoe je een knoop aannaait, hoe je oversteekt met een stok. Hij leerde zijn tastzin ontwikkelen en braille lezen. Nu het kwartje was gevallen, stortte hij zich er vol overgave in. Hij zat intern in het instituut: overdag revalideren, ’s avonds naar de bar van het revalidatiecentrum. „Een warm bad was het in het begin. Ik hoefde me niet meer groot te houden, ik zat de hele dag tussen lotgenoten, je wist precies hoe je dag eruitzag.”

Na een jaar zag hij: je hebt een groep die in dat bad blijft en een groep die naar huis wil. „Je kunt in Nederland heel makkelijk beroepsblinde worden, je hebt recht op van alles en alles wordt voor je geregeld. Ik was dat al snel zat.”

Hij had en heeft, dat merk je ook aan de voortvarende manier waarop hij praat, iets onverzettelijks. Iets dwars. Als je tegen hem zegt dat hij iets niet kan, doet hij het juist. Misschien omdat zijn moeder altijd zo’n grenzeloos vertrouwen in hem had en ervan uitging dat hij altijd heelhuids thuis zou komen. Misschien omdat het voor hem de enige manier is om zijn handicap te accepteren.

Maar probeer maar eens te leven met iemand die alles wil maar niet alles kan. Zijn eerste huwelijk liep erop stuk. Bloem had haar leren kennen op het instituut, waar zij therapeut was, waar de rollen duidelijk waren. Daar was hij het mannetje. Buiten was het lastiger. Hij had een prima baan, was manager met dertig man onder zich. „Maar zij bleef zich verantwoordelijk voelen voor mijn geluk.” Uiteindelijk klapte zijn huwelijk.

Hij was er klaar mee. Zijn werk, zijn leven in het overgeorganiseerde Nederland. Hij hoefde voor niemand thuis te blijven. Met drie containers vol computers en hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden vertrok hij naar Nepal. Min of meer op de bonnefooi, als vrijwilliger. Hij belandde in Tibet, bij de stichting Braille without Borders. „Dat was nog eens wat anders dan die verwende mensen hier in Nederland. In Tibet ben je echt een verschoppeling als je gehandicapt bent.” Hij vond het er geweldig. Met de 2 of 3 procent die hij nog zag, trok hij rond, in taxi’s, riksja’s en op de tandem door de Himalaya. Hij hield er een druk sociaal leven op na met expats en backpackers. En toen hij na een half jaar terugging, merkte hij dat hij er nog lang geen genoeg van had en besloot hij naar Nigeria te gaan. Deze keer via een uitzendbureau, dat vrijwilligers voor een lokaal salaris aan projecten in ontwikkelingslanden koppelde. „Ik was de eerste blinde die zich meldde. Niemand had dat aan die Nigerianen verteld voordat ik daar kwam. Maar ze vonden het geweldig, een blinde!” Hij werd behandeld als een witte messias en dat was hij in zekere zin ook. Op een blindenschool sloot hij tot dan toe ongebruikte computers aan, installeerde programma’s waardoor de blinden en slechtzienden van het dorp in the middle of nowhere ineens met de hele wereld werden verbonden. Hij was een rolmodel. Als blinde kon hij eisen dat andere blinden docent werden op de school die binnen de kortste keren leerlingen van heinde en verre trok.

Grenzeloos vertrouwen

En toen kwam Chantal. Het was augustus 2004 en eigenlijk was hij na twee jaar wel klaar om terug naar Nederland te gaan. Zij haalde op het feest waar ze elkaar ontmoetten een colaatje voor hem, en bij het volgende feest sloeg de vonk over. Hij besloot wat langer in Nigeria te blijven en uitgerekend toen werd zijn moeder ziek. Hij kwam terug naar Nederland om de laatste maanden van haar leven in haar buurt te zijn, de laatste weken 24 uur per dag. Haar dood heeft hem, zo blijkt uit zijn ontroering, dieper geraakt dan de boodschap dat hij blind werd.

Over de oorzaak van zijn blindheid spraken ze niet meer toen ze ziek was. Zijn vader en moeder waren neef en nicht en beide drager van het gen dat hem blind had gemaakt. Dat wisten ze niet toen ze kinderen wilden. Bloem heeft het zijn ouders nooit kwalijk genomen, zegt hij. Zonder zijn moeder had hij misschien nooit de overtuiging gehad dat de wereld aan zijn voeten lag.

Chantal, de vrouw die hij in Nigeria ontmoette en met wie hij nu twee kinderen heeft, heeft datzelfde grenzeloze vertrouwen, het nuchtere ‘ik hoef jou niet te ontzien’. Ze laat hem alles met de kinderen doen: met de trein naar zijn vader, naar school brengen, etc. De kinderen moeten ook uitkijken bij het oversteken.

Hij wilde geen beroepsblinde worden, hij wilde reizen, een gewone baan, een gezin. Maar juist in een gewoon leven, loop je de hele dag aan tegen de dingen aan die niet lukken. „Even met de kinderen naar Drievliet. Het ligt hier om de hoek, maar het is heel tijdrovend om daar te komen. Mobiliteit, dat mis ik het meest van alles.” In een sombere bui denkt hij soms: ik kan ook lekker in een appartementje blind zitten zijn, heel overzichtelijk, zonder verantwoordelijkheden en frustraties.

„Raar eigenlijk dat dit gesprek over mij gaat”, zo onderbreekt hij zichzelf ineens. „Jij zit hier voor mij, maar de credits zouden naar Chantal moeten gaan. Zij verdient een standbeeld. Ik krijg meer hulp dan me lief is, terwijl alles op haar aankomt. Zij loopt de gaten dicht. „Mijn grootste frustratie zit in de frustraties van anderen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *